Vissen zijn permanent in het water levende gewervelde dieren die ademhalen middels kieuwen. De meeste vissen zijn koudbloedig, maar sommige grotere soorten vertonen warmbloedige trekjes. Vissen komen over de hele wereld voor, er zijn momenteel ruim 27.000 soorten, in meer dan 500 families onderverdeeld en er wordt met regelmaat een nieuwe soort ontdekt.

Algemeen

Vissen zijn op vele manieren in te delen, hoe ze eruit zien, waar ze van afstammen of in welk milieu ze leven. Ingedeeld naar milieu onderscheiden we:

  • zoetwatervissen:
    komen voor in plassen, beken, rivieren en andere stromen;
  • brakwatervissen:
    komen voor in mangroves en overgangsgebieden tussen zee en rivieren;
  • zoutwatervissen:
    komen voor in zeeën en saliene milieus.

Daarnaast zijn er de anadrome vissen (bijv. zalm die opgroeien in zout water en zich voortplanten in zoet water. De katadrome vissen zijn vissen die zich in zee voortplanten en opgroeien in zoet water, zoals de paling. Lange tijd werden de vissen als één grote groep gezien (Pisces) maar tegenwoordig zijn de vissen verdeeld in twee klassen; de kwastvinnigen, waartoe de longvissen behoren, en de straalvinnigen, de grootste groep die alle andere soorten bevat. Er zijn nog wel meer groepen, maar deze zijn allemaal uitgestorven, zoals de pantservissen. De kaakloze vissen (Agnatha), zoals de rivierprik worden als aparte groep naast alle andere vissen gezien. Zie ook onder het kopje taxonomie verderop.

Consumptie

Vissen worden net als kreeften gevangen voor de consumptie. Het vangen van vis is een belangrijke vorm van voedselwinning en de basis van een belangrijke industrietak. Op culinair vlak worden sommige andere waterdieren ook tot vis gerekend, zoals oesters en garnalen. De typische vislucht is niet kenmerkend voor verse vis, die naar zeewier of komkommer (bij salmoniden) ruikt. Vislucht wordt veroorzaakt door aminen die bij eiwitafbraak worden gevormd. Vette vis is door het hoge gehalte aan meervoudig onverzadigde vetzuren ook erg gevoelig voor vetoxidatie, waardoor het vet ranzig wordt. Vis is erg bederfelijk en daarom wordt verse vis wordt meestal bewaard op ijs. Andere veelgebruikte conserveringsmethoden zijn drogen, roken en zouten en diepvriezen. Soms wordt ook levende vis aangeboden.

Commerciële visserij

Vissen worden op grote schaal commercieel gevangen, vooral zeevis; rond het jaar 2000 werd er wereldwijd circa 100 miljoen ton vis per jaar gevangen. Zie ook het artikel vis (voeding) voor informatie over de consumptie van vissen. Op sommige vissen wordt zoveel gevist dat de toekomst van deze soorten op het spel staat. Een voorbeeld is de paling, waarbij ook op intrekkende jonge dieren, glasaaltjes genoemd, wordt gevist, die direct voor consumptie worden verkocht. Bij het opvoeren van de visserijinspanning treedt al gauw overbevissing op, met als bekend voorbeeld de kabeljauw, die hierdoor op veel plaatsen bijna uitgeroeid is. Bij een verstandig beheer is de visserij een goede en goedkope methode om natuurlijke hulpbronnen ten nutte te maken, jammer genoeg is het tot op heden maar zelden gelukt om op een rationele manier van deze hulpbron gebruik te maken en hebben alle vispopulaties in meer of mindere mate te lijden onder overbevissing. Dit is te wijten aan het karakter van de visserij waardoor elke visser een voor zichzelf een zo groot mogelijk deel van de aanwezige vissen wil vangen. Hetzelfde geldt voor staten, die zichzelf ook het liefst een zo groot mogelijk visserijquotum toekennen. Overbevissing leidt naast het het gevaarlijk afnemen van het bestand van veel vissoorten, tot een enorme energieverspilling doordat steeds verder uitgevaren moet worden, met grotere netten die met zwaardere motoren gesleept moeten worden om toch nog genoeg vis te vangen. Deze extra inspanning komt ook weer tot uiting in de prijs van de vis. Door verruiming van de technische mogelijkheden, waarbij vooral de sonar een grote rol speelde is het voor de vissers ook mogelijk geworden scholen vis te lokaliseren. Daardoor worden scholen vis extra kwetsbaar, want zelfs de laatste school vis laat zich dan nog vangen. Ook de vissoorten van de open oceaan, zoals de marlijn zijn sterk bedreigd door overbevissing met " long lines". In het zoete water treedt ook al snel overbevissing op, maar is de visserij vaak beter te reguleren. Vaak wordt het nodig geacht de visserij te verbeteren door uitzettingen van gewenste soorten, of uitheemse soorten met gunstige eigenschappen. Door het sleutelen aan deze zoetwaterecosystemen treden nogal eens ongewenste effecten op. Het bekendste voorbeeld is het uitzetten van de nijlbaars in het Victoriameer, maar ook insleep van parasieten en visziekten kan grote problemen geven.

Visteelt

Visteelt komt meer en meer in de belangstelling omdat door bevolkingsgroei en een toenemend welvaartsniveau de vraag naar vis toeneemt. De traditionele visserij kan door overbevissing nauwelijks aan deze groeiende vraag voldoen. Erg bekend is de teelt van zalm in kooien op zee. De klassieke visteelt vindt plaats op vijvers, waarbij door beheer, bemesting en in geschikte hoeveelheden uitzetten van jonge vis een snelle groei gerealiseerd kan worden door het optimaal benutten van het ecosysteem. Er zijn ook intensieve teelten, waarbij de vis met kunstmatig voer opgroeit. Het water met de daarin opgeloste zuurstof wordt continu aangevoerd en de afvalstoffen worden continu afgevoerd. Bij recirculatiesystemen wordt het afgevoerde water door biologische afbraak, afvangen van mest en beluchting weer geschikt gemaakt voor de aanvoer. Een recent systeem is de biofloc. Dit zijn vijvers waarbij intensief belucht wordt en zeer veel voedingsstoffen aan het water worden toegevoegd, het giftige ammoniak dat de vissen uitscheiden wordt door heterotrofe bacteriën gebruikt als stikstofbron en als koolstofbron wordt bijvoorbeeld rijstmeel gebruikt. Deze bacteriën dienen weer als voedselbron voor grotere organismen die op hun beurt weer door de vissen als voedsel worden benut.De naam biofloc slaat op de aggregaten van bacteriën wormen en eencelligen die vlokken in het water vormen. Dit systeem kan in potentie erg productief zijn maar is ook moeilijk onder controle te houden. Het oogmerk is de visteelt rendabeler te maken en minder afhankelijk van hoogwaardig visvoer.

Sportvisserij

Het vangen van vis, vissen genoemd, kan ook als recreatieve bezigheid en sport worden beoefend. Waar vroeger de gevangen vis werd meegenomen voor consumptie is de praktijk tegenwoordig vaak dat de gevangen vis direct wordt teruggezet, het zogenaamde "catch and release". Ook bij de sportvisserij grijpt de mens vaak regulerend in door het uitzetten van jonge vis en/of gebiedsvreemde vis met de gewenste eigenschappen. Ook worden predatoren uitgezet, dan wel verwijderd om de visserij te bevorderen. In Ierland zijn op veel meren grote snoeken verwijderd om de stand van salmoniden te bevorderen, het zogenaamde "pike culling". In veel gebieden vertegenwoordigt de sportvisserij een grotere economische waarde dan de commerciële visserij, zodat commerciële overbevissing tot nog grotere schade leidt dan alleen de verminderde visserijopbrengst. In veel gebieden is de sportvisserij naast het sportduiken ook al een belangrijke vorm van eco-toerisme.

Aquarium

Een groot aantal soorten wordt gehouden in een aquarium met als doel de vissen te bestuderen, zich voort te laten planten of voor decoratieve doeleinden. Dit zijn meestal felgekleurde tropische zoetwatervissen.

Anatomie bij beenvissen

Anatomie van een beenvis Lichaam

Vissen hebben over het algemeen een langwerpig, zijwaarts afgeplat lichaam en een huid die bedekt is met schubben. Er zijn zeer veel uitzonderingen, sommige vissen lijken op slangen of zijn juist heel plat of bol. Alle vissen hebben vinnen, aan de combinatie en vorm van de vinnen valt vaak af te lezen tot welke groep een vis behoort.

Skelet

Het skelet van de baarsHet skelet is relatief licht en bestaat uit een wervelkolom, met daaraan de graten, de vinstralen en vindragers, de botten van de bekkengordel en de lendengordel, de schedel, de kaakbeenderen, de kieuwbogen en de kieuwdeksels. De graten in het voorste gedeelte van het lichaam zijn gepaard en omhullen gedeeltelijk de buikholte. De kaken zijn bij beenvissen uitstulpbaar, waardoor deze vissen heel gemakkelijk voedsel naar binnen kunnen zuigen.

Visvlees

Het grootste gedeelte van het lichaam bestaat eigenlijk uit twee grote lichaamsspieren, die via de huid en de wervelkolom de staartvin aandrijven. Deze lichaamsspieren zijn vaak voor het grootste gedeelte wit en opgebouwd uit segmenten die met elkaar door myosepten zijn verbonden. Aan de buitenkant van de lichaamsspier vlak onder de huid zit rood spierweefsel, dat een groot uithoudingsvermogen heeft. Als vissen kalm zwemmen gebruiken ze alleen de rode spiervezels, in noodsituaties gebruiken ze ook de witte spiervezels. Dit is de reden dat vissen vrij snel vermoeid raken als ze voor een sleepnet uitvluchten, of als ze gehaakt zijn door een hengelaar. Er zijn echter ook veel vissen met alleen rode spiervezels als zalm, wilde karper en tonijn, die dan ook niet zo snel vermoeid raken. Het witte visvlees dient voor een groot gedeelt ook om de stroomlijn van het lichaam te optimaliseren. Visvlees bevat weinig bindweefsel en is dus nooit taai. Het percentage vet kan enorm variëren (0.5 - 40%) per soort en per seizoen. Vanwege het grote percentage onverzadigde vetzuren is visvlees erg gezond, maar ook erg bederfelijk. [bewerk] Inwendige organen Het andere gedeelte van het lichaam is de buikholte met daarin de inwendige organen. Vlak onder de ruggegraat aan de achterkant bevindt zich de nier. Daaronder bevinden zich de gonaden, de dragers van de geslachtscellen. Deze organen kunnen soms wel 30% van het visgewicht vertegenwoordigen en bevatten dan veel vet. Het spijsverteringskanaal bestaat uit de slokdarm, de maag (niet bij karperachtigen}, de voordarm en de einddarm. De zwemblaas ligt vooraan boven in het lichaam onder de ruggegraat en is een uniek orgaan bij beenvissen. Hij wordt van gas voorzien door de gasklier en is bij volwassen vissen vaak niet meer verbonden met het darmstelsel. Door de aanwezigheid van een zwemblaas kan de vis zonder verdere zwembewegingen in het water blijven zweven. Verder heeft de vis een lever en een pancreas die vaak tot één orgaan versmolten zijn (hepatopancreas), een galblaas en een milt. Het hart bevindt zich niet in de buikholte maar vlak onder de kieuwen.

Vinnen

Eén van de eigenschappen die vissen kenmerkt is dat ze in het bezit zijn van vinnen in plaats van poten. Vinnen dienen om te zwemmen, zowel om snelheid te maken als te sturen. In het aantal vinnen verschillen vissen per groep. Rondbekken hebben twee eenvoudige vinnen: een rugvin en een staartvin. Daarentegen hebben haaien gewoonlijk een gepaarde rug- buik- en borstvin, daarnaast een staartvin en een aars- of anaalvin. Sommige vissoorten hebben in de loop der eeuwen bepaalde vinnen verloren. Sommige soorten haaien of de poon hebben zulke sterke vinstralen dat ze op de borstvinnen over de bodem kunnen lopen. Zeepaardjes hebben een hele kleine rugvin die razendsnel als een propeller beweegt. Mesvissen bewegen zich juist voort met de lange aarsvin.

Kieuwen

Op enkele soorten na halen alle vissen de benodigde zuurstof uit het water door middel van kieuwen, deze zitten aan weerszijden achter de kop. De vis leidt het water door de kieuwen door eerst de mondholte te vergroten door met gesloten kieuwspleten en iets geopende bek de mondbodem naar beneden te bewegen en de voorkant van de kieuwdeksels naar buiten te bewegen. Door flapjes achter de lippen wordt het water tegengehouden als de vis de mondbodem weer omhoog beweegt en de mondholte verkleint. Het water wordt dan door de kieuwzeef (benige aanhangsels van de ophanging van de kieuwen) langs de rode kieuwlamellen gevoerd en verdwijnt het via de kieuwspleet. Vissen als ansjovis, sardine en makreel creëren een waterstroom langs de kieuwen door simpelweg de bek en de kieuwen te openen en continu te blijven zwemmen. De kieuwlamellen zijn voorzien van zeer kleine secundaire lamellen waar het bloed in een richting stroomt tegengesteld aan de waterstroom. Door dit tegenstroomprincipe kan het bloed maximaal van zuurstof worden voorzien. [bewerk] Huid Veel vissen hebben een huid van schubben of soms zelfs beenplaatjes, net als reptielen, maar de schubben van vissen dienen niet alleen ter versteviging, ze zijn zeer glad voor een goede stroomlijning voor het zwemmen. Om de weerstand nog verder te drukken hebben vissen een slijmlaag op de huid, die tevens dient om infecties buiten de deur te houden. Schubben zijn vooral bij beenvissen goed ontwikkeld. Toch zijn ook hier uitzonderingen, zoals het zeepaardje en de meerval. Haaien en roggen hebben geen echte schubben maar een leerachtige huid die voorzien is van vele kleine, harde insluitingen (tandschubben).

Zintuigen

Veel vissoorten hebben kleine gaatjes in sommige schubben op de flanken en de kop of poriën in de huid bij soorten zonder schubben. Dit wordt de zijlijn genoemd. Dit zintuig stelt vissen in staat drukveranderingen in het water waar te nemen. Zo kunnen vissen in troebel water en in het donker zwemmen zonder zich aan allerlei dingen te stoten. De zijlijn stelt vissen ook in staat om te anticiperen op naderende roofvissen, omdat deze het water in beweging brengen en daardoor voor drukveranderingen zorgen. Vooral bij vissoorten die in diepe zeeën en oceanen leven, is de zijlijn goed ontwikkeld. Het zijlijnorgaan kan ook fungeren als een orgaan dat veranderingen in elektrische velden waarneemt. Vooral haaien zijn erg gevoelig voor elektrische velden en gebruiken ze om ingegraven platvissen te vinden, door de kleine spanningen veroorzaakt door de spieren van de prooi. Ook het evenwichtsorgaan, de smaak en de reuk zijn bij veel vissen goed ontwikkeld. Daarnaast beschikken veel soorten over een goed gehoor. Hierdoor kunnen ze met elkaar communiceren over zeer grote afstanden. Vissen met een goed gehoor als meerval en karper gebruiken de zwemblaas als een soort van trommelvlies. Met het orgaan van Weber, dat bestaat uit een aantal verbonden botjes wordt de trilling van de zwemblaas overgedragen naar het middenoor. Tenslotte kunnen soorten die op goed verlichte plaatsen leven, goed zien. De ogen zelf kunnen nauwelijks bewegen en oogleden ontbreken. De lens in het oog kan door een spiertje dichterbij het netvlies worden getrokken, om zo voorwerpen op verschillende afstanden te kunnen waarnemen. Vissen zijn altijd wat bijziend, omdat scherpe waarneming op grotere afstand in het water niet zo zinvol is vanwege het beperkte blikveld. Ook tastorganen als baarddraden komen voor bij de vissen, deze worden gebruikt om de bodem af te speuren op zoek naar prooidieren. De baardraden worden ook gebruikt als smaakorgaan, vaak in combinatie met wat smaakgevoelige velden op huid en vinnen.

Voortplanting

Een jonge zalm verlaat het ei, de dooierzak is duidelijk te zien. Vissen planten zich meestal voort door middel van eieren, maar er zijn ook wel eierlevendbarende soorten waarbij de jongen in de moeder tot ontwikkeling komen. Bij de meeste vissen vindt de paring plaats doordat het mannetje en het vrouwtje respectievelijk het sperma en de eicellen tegelijkertijd afgeven, er vindt dus geen copulatie plaats. Sommige vissen produceren miljoenen eitjes, maar soorten die de jongen verzorgen leggen kleinere aantallen tot enkele honderden. Broedzorg kan ver gaan bij vissen; bij een aantal soorten worden de jongen agressief verdedigd tegen mogelijke vijanden. Een aantal soorten broedt de eitjes na het afzetten verder uit in de bek of laat de jongen bij gevaar snel in de bek zwemmen, zodat ze veilig zijn. Er zijn zelfs 'koekoeksvissen', die de eitjes door andere vissen laten verzorgen en waarvan de jongen niet zelden de eitjes of visjes van de gastheer oppeuzelen, deze hebben niet door dat hun kroost wordt opgegeten door een andere soort. Er zijn ook vissen die een heus nest onderwater maken, en waarbij een van de ouders regelmatig met de vinnen over de eitjes waaiert om deze van een constante zuurstofaanvoer te voorzien, zoals de stekelbaars. Labyrintische vissen en andere soorten maken een schuimnest dat op het water drijft. Als een visseneitje is uitgekomen komt de jonge vis tevoorschijn, die vaak larve wordt genoemd maar geen echte metamorfose meer ondergaat. De larve is vaak doorzichtig en draagt de dooier nog met zich mee. Na enige tijd is deze uitgeput en moet de vis op zoek naar voedsel. Vrijwel alle jonge vissen eten kleine diertjes om snel te groeien. Zeevissen eten vaak kleine in het water zwevende diertjes, voor zoetwatersoorten zijn dieren als watervlooien en muggenlarven onontbeerlijk als stapelvoedsel.

Taxonomie

De aanduiding vissen is in de moderne biologie eerder een wat vage verzamelnaam dan een taxonomische aanduiding. Sommige waterdieren lijken op vissen, zijn in het verleden ooit bij de vissen ingedeeld of heten zelfs 'vis', terwijl ze beter in andere groepen in te delen zijn. Denk bijvoorbeeld aan de walvissen, maar hetzelfde geldt ook voor de primitieve rondbekken en lancetvisjes. De eigenlijke vissen behoren allemaal tot de superklasse Gnathostomata ('kaakmondigen') en vallen in twee hoofdgroepen uiteen:

  • De kraakbeenvissen Klasse: Chondrichthyes
  • De beenvisachtigen: Osteichthyes

Het voornaamste verschil tussen deze twee grote groepen is dat het skelet van de kraakbeenvissen geen echt been bevat, maar slechts uit kraakbeen bestaat. Binnen de beenvissen nemen weer twee groepen een bijzondere plaats in:

  • Coelacanthimorpha (Coelacanten of Kwastvinnigen), met maar één vertegenwoordiger, de Coelacanth, (Latimeria chalumnae)
  • Dipnoi (Longvissen), met zes soorten.

De reden voor hun bijzondere positie is dat zij nauwer verwant zijn aan de meestal op het land levende viervoeters dan de andere beenvissen.

Bron: http://nl.wikipedia.org/wiki/Vissen_(dieren)